BiebBlog

Vlissingen

Bibliotheekmedewerkers
aan het woord

1 juli 2011 @ 08:39 door | Geen reacties

Spook uit het verleden

Geert van OorschotWaar zijn de boeken van Geert? Deze intrigerende vraag kreeg ik vorige week onder mijn neus geschoven. Gelukkig schept enige navraag helderheid. We moeten terug naar 1987. De Bibliotheek Vlissingen kreeg kort voor de dood van oud-Vlissinger en uitgever Geert van Oorschot (1909-1987) een schenking van 850 exemplaren uit zijn privé-boekenbezit.

Slijkstraat
Deze schenking was op zich vreemd te noemen, want hij haatte het Vlissingen van zijn jeugdjaren ‘om alle vernederingen, pesterijen en verschrikkingen’. Vooral de destijds armoedige Slijkstraat moest het ontgelden. “De straat waarin wij woonden heette de Slijkstraat. Je begrijpt dat het voor een kind niet plezierig is in de Slijkstraat te wonen”, lezen we in het verhaal ‘De Kolenboer’ uit de bundel ‘Vlissingse verhalen’. “Als mij in de klas gevraagd werd: waar woon je, en ik zei in de Slijkstraat, dan kreeg ik het gevoel of er een modderlucht in de klas kwam hangen. In ons dialect zeiden we bovendien niet slijk, maar slik, en slik was nog veel stinkender en verachtelijker dan slijk.”

Maar niet alleen de naam, ook de straat zelf was een en al ellende, als we Van Oorschot mogen geloven. “Aan weerzijden een aaneenschakeling van krotten. Verzakte vensters, gebroken of met krantenpapier dichtplakte ruiten, uit de scharnieren hangen voordeuren, uit de gevels gevallen brokken steen, kapotte trottoirtegels, ontbrekende voordeurdrempels, lekkende dakgoten, opgebroken straatgedeelten, hondendrollen op de stoepen, lucht van gebakken vis en gepofte erwten, stank van rottende garnalen.”

R.J. Peskens
Feit is dat Geert van Oorschot uiterst amusant en genadeloos kon schelden op het Vlissingen van zijn jeugd, feit is echter nu ook dat Arjen Fortuin in ‘Krullebol-Steilhaar’ overtuigend laat zien dat in werkelijkheid de relatie tussen Van Oorschot en de stad minder eenduidig was (zie verslag Zeeuws Knoopje & NRC-recensie). Zoals vaker blijkt de werkelijkheid veel genuanceerder te liggen. Daarvan getuigen ook de sterk geromantiseerde herinneringen in zijn autobiografische romans ‘Twee vorstinnen en een vorst’ (1975) en ‘Mijn tante Coleta’ (1976), die hij onder de naam R. J. Peskens publiceerde.

Dit pseudoniem ontleende hij overigens aan de voorletters van twee van zijn geliefdste dichters, Richard Minne en Jan van Nijlen, en de achternaam van een anarchist uit de Vlissingse politiek van zijn jeugd. Het is een aanwijzing waar destijds zijn politieke sympathieën lagen. Hij was er dan ook trots op dat zijn sociaal-democratische vader bevriend was met Domela Nieuwenhuis en zijn moeder doorging voor een dwarse anarchiste.

Oorwurm
Geert van Oorschot schetste zichzelf als een ‘sociaal-democraat met anarchistische afwijkingen’, ‘cynisch en boosaardig’, een man die gelooft ‘in de volstrekte zinloosheid van het bestaan’. Anderen karakteriseerden hem als theatraal, principieel en tegenstrijdig. Voortdurend erop uit om te provoceren, te shockeren alsof hij een spel speelde, een man om flinke aanvaringen mee te hebben. Een conflict met schrijver Willem Frederik Hermans leidde zelfs tot de kwaadaardige eenakter ‘Uitgever Oorwurm’, waarin Van Oorschot model stond voor de onbetrouwbare en op geld beluste ‘Oorwurm’.

Kortom een strijdbare maar tegelijkertijd breekbare persoonlijkheid getuige ook de uitspraken van Jeroen Brouwers die hem ‘een bromtol van smeltend fondant’ en ‘een ijzeren knuffelrinoceros’ noemde. Geert van Oorschot past dan ook helemaal in het rijtje recalcitrante Vlissingse schrijvers, die eigenlijk al begint met Jacobus Bellamy en later met Betje Wolff en bijvoorbeeld ook Hans Verhagen.

Lijk in de kast
Maar goed, ik dwaal weer eens ernstig af … terug naar de nalatenschap van Geert. Van waar opeens de belangstelling voor deze vergeten schenking? Ik ben in mijn bijna twintigjarige loopbaan bij de bibliotheek nooit op boeken uit een ‘Van Oorschot-collectie’ gestoten. Het zou toch niet zo zijn dat ze in een onbewaakt moment wegens ruimtegebrek zijn gesaneerd? Is dit nu zo’n berucht ‘lijk in de kast’? Waar zijn de boeken van Geert? En wie wil dat weten?

Wordt het door Karel van het Reve’s uitgesproken vermoeden: “We vrezen Geerts toorn zelfs van gene zijde” dan toch bewaarheid en laat Van Oorschot nu ook na zijn dood nog van zich horen? Gaat zijn beruchte wispelturigheid opspelen en wil hij zijn boeken terug? Of is het zijn zoon Wouter die de boeken van zijn vader terugvraagt?

Hogepriesters
Koortsachtig zoeken in de catalogus leidt niet tot de bevrijdende ontdekking. Wellicht zijn de 850 boeken gereduceerd tot een digitale siddering in de diepste krochten van het systeem, onzichtbaar voor gewone stervelingen zoals u en ik. Verlossing komt uit Middelburg waar de hogepriesters van de bewaarkunde waken over de schat van Geert van Oorschot, die zich slechts laat vinden door het gebruik van een geheime code. Dat de nalatenschap van Van Oorschot veilig in de magazijnen van de Zeeuwse Bibliotheek rust zal Geert deugd doen, hij had het toch al met Vlissingen gehad.

Met de verkregen zielenrust besluit ik tot een ontspannen wandeling door het Vlissingen van Geert van Oorschot, een decor waar overigens weinig meer van over is.

Auteur

Rubrieken Vlissingen

Trefwoorden

Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

coded with care by codetikkers.nl, ontwerp IDA